THEATERFAMILIE NOOY

1910 / 2020

Ze spelen stukken als Hotel de Poes (“Avonturen uit het pikante Parijsche huwe-

lijksleven in drie bedrijven”), Paljas en het soms door wel drie gezelschappen

tegelijk gespeelde successtuk Roger de Geschandvlekte (van Mary Jules en Georges

Grisier). Grappig toeval is dat Langenaken in 1916 samen met Pedro Beukman Het Hollandsche Gezelschap opricht, dat onder meer Mooie Neel, het eerste toneelstuk van Herman Bouber, in première laat gaan in het Rozentheater in Amsterdam op 27 augustus 1917. Pedro Beukman zal veel later in de Nooy-familie weer een opmerkelijke rol spelen, als Beppie Nooy op jacht is naar het manuscript van Rooie Sien: hij blijkt dan de enige te zijn die de volledige tekst in zijn bezit heeft.  In 1919 treden onder Nooy’s leiding De Jordaanspelers op en in datzelfde jaar begint hij het Amsterdamsch Tooneelgezelschap, dat tot 1929 op de planken zal staan. Op het repertoire staan stukken als ’t Vijgeblaadje, ’t Hippie (beide door hemzelf geschreven, ’t Vijgeblaadje samen met zijn zwager Jo Vischer sr.), Het Gouden Kalf en De Sjikse.

Via mevrouw Nöggerath, weduwe van Anton Nöggerath die het populaire variététheater Flora op de kaart had gezet, komt hij terecht bij de revues van Rido (pseudoniem van Philip Pinkhof) in de Amstelstraat, destijds het warm kloppende hart van toneel, revue en variété. Hij speelt verder rollen bij zijn aanstaande schoonvader Albert Bakker, telg uit een toneelgeslacht, die met zijn Hollandsch Tooneel ook een eigen tent heeft waarmee de groep de kermissen afstruint. In 1906/1907 heeft hij werk bij de Nieuwe Nederlandsche Tooneelvereeniging van Ben Delmonte.

Maar al gauw, rond 1910, gaat hij ook onder zijn eigen naam ambulante producties maken.

Het Hollands Tooneelgezelschap is zo’n groep, die hij runt met Johan Langenaken.

Libre Baskerville is een klassiek lettertype met een moderne twist. Het is gemakkelijk te lezen op verschillende schermen en perfect voor lange tekst.

In die jaren wordt er ook nogal eens in tenten gespeeld. Tijdens kermissen is er in omliggende theatertjes iets te doen. Zo rond 1910-1920 zijn er nog wel gezelschapjes die toneel of vaudeville in tenten brengen. Die tenten blijven binnen een regio, waarbinnen ze met de trekschuit worden verplaatst. Ger Hinrichs weet dat zijn grootvader nog wel eens een decor met de trein heeft laten vervoeren. Volgens broer Marty Hinrichs was dat uitzonderlijk “want de theaters hadden zelf standaarddecors: een bos, een café enzovoort. Dat was tot in de jaren vijftig zo.”

In 1921 zet hun grootvader ook het Gezelschap Jan Nooy op de planken, dat onder die naam tot 1955 zal spelen.                                                                                                                                                                                     

Het repertoire is divers maar constant en heeft veel overeenkomst met dat van andere gezelschappen in die tijd: realistisch toneel uit het vaste repertoire, veelal bewerkt door de leider van het gezelschap. Een voorbeeld is Kamertjeszonde, oorspronkelijk van Herman Heijermans, dat Jan Nooy van een geheel nieuwe jas – een heel nieuw verhaal -voorziet zodat er van Heijermans’ werk weinig meer te herkennen valt. Later zegt hij er zelf over dat Heijermans hem er persoonlijk toestemming voor heeft gegeven.

De ondertitel van Nooy’s Kamertjeszonde is ‘Een werkelijke Amsterdamsche gebeurtenis in 5 bedrijven met zang’. 

Maar het Gezelschap speelt ook zogenoemde toneeldraken, stukken vol effectbejag en melodrama, zoals in 1933 De Twee Weezen (oorspronkelijk Les deux orphelines) van Adolphe Philippe d’Ennery en Eugène Cormon, dat sinds de première in 1874 al een hit is: Louis Bouwmeester heeft het datzelfde jaar onder veel bijval al naar Nederland gehaald en tourt er het hele land mee door.

Ook Jan Nooy boekt successen in de provincie, niet in de laatste plaats met stukken waarvoor hij zich vaak en graag laat inspireren door het werk van Justus van Maurik (16 augustus 1846 – 18 november 1904). Net als zijn gelijknamige grootvader was deze sigarenmaker, maar hij heeft de geschiedenisboekjes gehaald vanwege zijn werk als schrijver van kluchten en blijspelen. Een typische Amsterdammer, die tegelijkertijd de lachers op zijn hand kreeg met rake schetsen van volkstypes, maar ook genoeg ontroering wist te scheppen voor de nodige traan. Een soort laat-romantiek met hoge pieken en diepe dalen.

En natuurlijk zijn er de successtukken van Marius Spree, die Jan Nooy, net als al zijn collega’s, regelmatig van de plank haalt. Algemeen wordt onderkend dat het succes van de groep van Jan Nooy ook en vooral te danken is aan het feit dat zijn tweede vrouw, Bep Nooy-Blaaser een uitstekende actrice is, die het gezelschap weet te dragen. Wat onverlet laat dat ook Jan Nooy een prima acteur is, die bijvoorbeeld ook de hoofdrol van Willy in Dood van een handelsreiziger van Arthur Miller later goed in de vingers heeft. Dat talent, die vaardigheid is ook wel nodig voor de leider van een gezelschap: immers op zijn naam worden voorstellingen verkocht.

 

Jan Nooy brengt ook jeugdvoorstellingen, één daarvan is Flippie Flink, naar de strip van Clinge Doorenbos en Louis Raemaekers, populair door zijn verschijnen in De Telegraaf. Dat Nooy zeker een neus voor publiciteit heeft, blijkt als hij Flippie (gespeeld door Corry Vonk) in de dertiger jaren een feestelijke binnenkomst in Amsterdam geeft. Hij heeft dat overigens afgekeken van een soortgelijke gebeurtenis rond Kuifje in Brussel, een paar jaar eerder.

Sommige van de stukken voor het Amsterdamsch Tooneelgezelschap schrijft Nooy samen met anderen, zoals de revueschrijver Jack Junior (pseudoniem voor Jaap à Cohen Treves). Jack Junior heeft ook veel beschrijvingen van de theaterwereld van destijds nagelaten, waaronder de volgende in 1982 tijdens een interview voor VARA-radio over zijn kompaan: “Ik had grote bewondering voor Jan Nooy, natuurlijk het was altijd schmieren wat hij deed, maar toch een pracht artiest. En handig!

Grootvader verkocht trouwens ook liedjes op het Rembrandtplein voor 20, 30 gulden.” Dat hij op de penning was, hebben ook familieleden als Jan Blaaser en Jo Vischer gemerkt: “Die stonden toen ze een jaar of achttien waren voor een krats in zijn stukken”, aldus Ger Hinrichs.

Dat op de penning zijn is natuurlijk ook een overlevingsvoorwaarde. En er kan openlijk over geld worden gesproken, blijkt uit een bedankbriefje van Jac. Gottschalk, namens de vereniging R.K. Kunst voor Allen, gedateerd 14 juli 1931. Nooy en zijn troep hebben in de Hollandsche Schouwburg Tropenadel gespeeld, zeer naar tevredenheid van het verenigingsbestuur. Het briefje besluit met: “Ik wensch U dan ook met Uw gezelschap het beste succès en een reeks van voorstellingen van het zonnige, zomersche blyspel: “Tropenadel”. En niet ’t allerminst een goede recette.”

Voor Jan Nooy is er een hoekje in de filmgeschiedenis weggelegd: hij speelt een bijrolletje in de succesvolle Nederlandse verfilming van Pygmalion door Ludwig Berger in ’37. De hoofdrollen worden gespeeld door Lily Bouwmeester als Elisa Doeluttel (!), Johan de Meester als professor Higgins en Eduard Verkade als Pickering. Verder is ook Wim Kan te zien, die met Corry Vonk heeft meegeschreven aan het script. Het is trouwens niet Nooy’s eerste of laatste filmoptreden. In 1924 speelt hij aan de zij van Bep Nooy in Bet, koningin van de Jordaan van regisseuse Adrienne Solser, die zelf ook de hoofdrol speelt. In 1942 is er optreden nummer drie in de Polygoon variétéfilm Zeven maal zeuven van Walter Smith. Nooy heeft naast Aaf Bouber de hoofdrol en ook Herman Bouber en Jo Vischer Sr zitten in de cast.

Herman Bouber - Jan Nooij in 7X7

In de Tweede Wereldoorlog speelt het Gezelschap Jan Nooy door. Hij lijkt niet te hebben getekend voor de Kultuurkamer, waardoor het aantal voorstellingen wel terugloopt. In het eerste oorlogsjaar wordt Oranje Hein gespeeld, waaruit een paar passages moeten worden geschrapt, en Mottige Janus. In 1941 is er een soort dubbelproductie: ’s avonds De voddenraper van Parijs van Félix Pyat, ’s middags, voor de jeugd, Tijs Wijs de torenwachter naar de strip tekst van Herman Looman. Nooy speelt dat in mei van dat jaar bijvoorbeeld ook voor Joodse kinderen in de Hollandsche Schouwburg.

Na 1945 speelt het gezelschap onder meer Het licht in den nacht van de sociaalbewogen Inte Onsman, de kapper die toneel had gespeeld bij Mari Kreukniet en Henri Poolman (directeuren van de roemruchte Salon des Variétés in de Amsterdamse Amstelstraat) begin jaren negentig en later toneelstukken schreef, zoals dit uit 1917. En zoals gezegd ook, in 1949, het beroemde Dood van een handelsreiziger, een modern stuk van Arthur Miller die dat in datzelfde jaar had geschreven én er een Pulitzer-prijs voor had gekregen. Jan Nooy speelt de hoofdrol van Willy, de handelsreiziger.

Behalve in reguliere theaters weet Nooy contracten te krijgen om te spelen voor militairen in de kazernes. Het leger regelt drietonners, een voor de acteurs die dan tussen de zeildoeken op bankjes zitten. De militairen maken ook de decors, maar de meubels moeten worden meegebracht. Die worden dan bij Jan en Bep Nooy thuis opgehaald en ’s nachts teruggebracht. Voor zo’n contract moet een gezelschap zich opgeven en auditie doen voor een voorstelling per week. De grote trekpleister is dat er dan wel 50 tot 60 voorstellingen binnengesleept kunnen worden. En zo komt er weer geld binnen om bijvoorbeeld een decor te bouwen.

Dat is broodnodig, want veel geld is er niet. Zo is er ook geen technicus, weet kleinzoon Ger Hinrichs nog: “Er was één lichtstand, het doek ging open, het doek ging dicht. Ze deden echt alles zelf.”

Corry Vonk als Flippie Flink

Eigen haard is goud waard was zijn stuk. Bij de schouwburgen adverteerde hij wel met twintig stukken, maar wat ze ook namen, hij speelde toch gewoon Eigen haard is goud waard. Hij vroeg 50 of 60 gulden voor een uitkoop, na afloop het geld verdelen en gauw weg. Het was ‘een schurk’, maar je kon hem niets kwalijk nemen. ’s Zomers huurde hij leegstaande theaters en begon fors affiches te plakken, sensationeel bedrukte affiches met veel rood erop. De hel van Barbusse bijvoorbeeld. Maar dat speelde hij niet, want dat stuk had hij helemaal niet, maar titels zijn vrij, kun je zo gebruiken. Achter De hel stak Handel in blanke slavinnen wat ik met Michel de Cocq voor hem geschreven had. Zo’n stuk was in die tijd altijd uitverkocht, alleen op de titel. Had je mazzel, werd er zondags nog gewaarschuwd op de kansel, zat je helemaal goed met het bezoek.”

Over De hel weet Ger Hinrichs te vertellen dat Jan Nooy er begin jaren dertig rijk van is geworden: “Hij verdiende in één seizoen 80.000 gulden. Helaas liet hij zich door een vriend verleiden er Duitse marken voor te kopen, die een jaar later door de gierende inflatie in Duitsland niets meer waard waren. Als kinderen hebben we na de oorlog nog met die lappen van biljetten gespeeld.” Dick Nooy voegt toe dat die biljetten ook wel als theatergeld op toneel werden gebruikt.

Over het onderling met de acteurs verdelen van het geld herinneren zijn kleinzoons Ger en Marty Hinrichs en Dick Nooy een mooie anekdote: “In de tijden van opa, jaren 30, werd er betaald ‘op deling’: wat er binnenkwam werd verdeeld.

Het verhaal gaat dat opa uitdeelde. Hij nam alle acteurs apart en dan was het: een gulden voor jou, een gulden voor mij en zo verder, zodat de acteurs allemaal een gulden hadden en hij tien.” Over het algemeen moest een gezelschap rechten betalen voor het spelen van een stuk. Uit een nota uit 1917 blijkt dat voor het spelen van De twee weezen drie gulden moest worden afgedragen, op een winst van ruim zestig gulden.

Ook later verliest de vos zijn streken niet, zeggen de kleinzoons: “Er is een briefje van Johan Kaart, gedateerd 24 november 1950: opa was naar hem toe gegaan om de bewerking van Een Huis vol Herrie te krijgen. Met het briefje kreeg hij die rechten gratis. Later, op 12 juni 1956, verkócht hij diezelfde rechten door voor vijftien gulden per voorstelling.

Een zelfde auditieprocedure geldt voor voorstellingen in opbouwkampen (onder meer in de Noordoostpolder) voor de arbeiders, in een afgescheiden deel van de barak, waarvoor auditie moet worden gedaan in de bovenzaal van Kriterion op Roeterseiland of het Roothaanhuis aan de Rozengracht. In de kampen worden bijvoorbeeld drie eenakters van Herman Heijermans gespeeld: Het kind, Nocturne en Het kamerschut.

In 1953 is er weer zo’n auditie voor vijf autoriteiten van het leger, voor Onder één dak van Jan Fabricius. Jan Nooy zal daarin de rol van een oude boer spelen, maar hij krijgt in het Roothaanhuis onder het schminken een attaque. Zijn vrouw herinnert zich jaren na dato de gebeurtenis: “Hij kwam in de kleedkamer naar me toe. Hij praatte heel langzaam en zei ‘Heb je een beetje witte schmink voor me?’ Ik dacht dat hij een grap maakte, maar even later hoorde ik uit de andere kleedkamer zeggen: ‘Wat praat-ie vreemd…’ Een paar minuten later kreeg hij een attaque en zakte in elkaar. Ik bracht hem met een taxi naar het ziekenhuis, maar ben teruggegaan om verder te spelen op die auditie en ik was zo blij dat we het contract kregen. Je moet ook altijd aan je zaak blijven denken, er leven zoveel mensen van.”

Oma gaat door, voorlopig ook als zakelijk leider, met Louis Holst als vervanger, aldus kleinzoon Ger Hinrichs. “Holst was een amateur-acteur uit Hilversum, die de rol een jaar eerder had gespeeld; iemand wist dat en hij werd gebeld. Hij heeft nog jaren rolletjes gespeeld bij mijn moeder.” Dat betekent niet dat Jan Nooy geheel uit beeld is. “Later wilde hij eigenlijk wel weer, maar het ging niet meer. Hij wilde dan mee, en kreeg daar ruzie over met zijn vrouw, die hem thuis wilde houden. Maar hij moest en hij zou mee, ging in het decor zitten en zei niets.” Jan Nooy overlijdt op 14 februari 1962.

                                                                                                       Theaterfamilie Nooy,  

die naam is zo goed als synoniem geworden met het volkstoneel. Het zijn namen die niet alleen in de volkstheatergeschiedenis, maar in de hele Nederlandse theatergeschiedenis een stevige rol hebben gespeeld. Voor een deel komt dat doordat ze het zo lang aan het toneel hebben volgehouden als familie. Stamvader Jan Nooy, zijn vrouw Bep Nooy-Blaaser, hun dochter Beppie en haar zoons Ger Hinrichs (met partner Carry Tefsen) en Marty Hinrichs (met echtgenote Hanny Vree) en Dick Nooy, tot en met de generatie van nu: Danny Nooy en Kim en Leyn Hinrichs, allemaal hadden en hebben ze hun hart verpand aan het theater.

Hieronder een overzicht van deze bijzondere familie, waarbij gebruikt is gemaakt van delen uit ’t is Nooy geweest!' Kroniek van een theaterfamilie, opgetekend door: Bertjan ter Braak.

                                                              Jan Nooij,

                                                 gedreven stamvader

 

Anders dan veel van zijn latere vakgenoten wordt Jan Nooij, op 16 januari 1888, niet in een toneelfamilie geboren. Zijn wieg staat in Nieuwer-Amstel, een grote variant van wat tegenwoordig Amstelveen is. De grens van Amsterdam liep toen ter hoogte van de Stadhouderskade; het stadhuis van Nieuwer-Amstel was het gebouw aan de Amstel waarin later het Stadsarchief gehuisvest zou zijn. Zijn achternaam wordt ook wel Nooij gespeld (zoals in zijn trouwboekje), maar zelf had hij in de jaren vijftig op zijn huisdeur een naambordje met de naam Nooy. 

De ouders van Jan, die gedoopt wordt als Johannes Martinus, drijven in Amsterdam een goed lopend café in de Gravenstraat, achter de Nieuwe Kerk. Hun idee voor de toekomst van Jan ligt ook niet in het theater, maar net als hun eigen leven in de middenstand. Al als Jan nog maar dertien jaar is, kopen ze voor hem een sigarenwinkel, opdat zijn kostje gekocht zou zijn.

Dat pad zal Jan echter niet kiezen: al jong speelt hij kinderrolletjes en op zijn zestiende vertrekt hij naar België, omdat hij heeft vernomen dat hij daar misschien een kans zou hebben aan het toneel. De reis blijkt tevergeefs, een Belgische theatercarrière zit er niet in voor hem. Hij ziet zich genoodzaakt terug te keren en leert in zijn vrije tijd thuis stukken uit het hoofd. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naast zijn werk met zijn eigen gezelschap speelt Nooy zijn hele carrière door ook bij andere gezelschappen, zoals in die tijd de gewoonte is. Zo treedt hij tussen 1914 en 1916 op bij het gezelschap van Colnot en Poons en heeft hij in het seizoen 1915-1916 een rol in De voddenraper van Parijs bij Delmonte. Tussen 1916 en 1919 zal hij in vrije producties staan als Revue Snoetje, ’t Is gelopen, Revue Dat moet je zien en Revue Hallo met wie?. In de jaren twintig is Nooy te zien bij het Ensemble Langenaken (1924-1925 in De kermismeid), bij de Nieuwe Karseboom Revue (1926-1927) en in een productie van Meneer Prikkebeen (1929-1930). Het decennium erna kan het publiek hem zien in de revue Hoe gaas es? en bij het Ensemble Bouber in Ga maar naar m’n buurman (beide in het seizoen 1935-1936). In de oorlogsjaren 1943-1944 speelt hij in Rob en Bob in Sprookjesland bij de Ben Ter Hall Revue, het seizoen erop in Dik Trom bij het Gezelschap Pedro Beukman. Na de oorlog treedt hij op bij Willem Goossens’ Volkstoneel, het Vrolijk Toneel en het Carré Ensemble. Bij Goossens heeft hij onder meer rollen in Rooie Sien en De Jantjes.

Jan Nooy is twee keer getrouwd, beide echtgenotes komen wél uit theaterfamilies. Zijn eerste huwelijk is met Mina Bakker, wier familie met een theatertent de kermissen bereist. Uit dit huwelijk wordt in 1911 een dochter, Mientje Nooy, geboren. Zij staat al in 1916 voor het eerst op de planken bij haar oom Johan. Behalve werken als onderwijzeres staat ze ook af en toe nog op de planken, zoals bij Gezelschap Jan Nooy in Terug van het front (1944-’45).

De tweede keer dat Jan Nooy in het huwelijksbootje stapt, is met Bep Blaaser, dochter  van acteur Jan Dirk Blaaser. Zij krijgen ook een dochter: Beppie Nooy (1919). Bij zijn schoonzus Rina Blaaser krijgt hij, buitenechtelijk, Riny Blaaser (1920).

Roothaanhuis - Amsterdam

Libre Baskerville is een klassiek lettertype met een moderne twist. Het is gemakkelijk te lezen op verschillende schermen en perfect voor lange tekst.

Jan Nooij als Mortimer Profennis in

De terugkeer van Sherlock Holmes

 

 

 

                                                        Bep Nooy

                                                        steractrice

 

 

 

 

 

 

 

 

Bep (Elisabeth) Blaaser (2 mei 1893) is een dochter van Jan Dirk Blaaser en komt uit een regelrechte theaterdynastie. Maar haar vader wil helemaal niet dat zij ook aan het toneel zal gaan en heeft haar naar de kweekschool gestuurd. Het lot wil anders. Want als Jan Dirk Blaaser de cast voor het stuk Kinderen van de vissersweduwe bijna rond heeft, blijkt hij alleen nog de rol van het dienstmeisje onbezet te hebben. Geheel tegen zijn zin ziet hij zich genoodzaakt de rol aan de zestienjarige Bep, die thuis ook wel Bets genoemd wordt, te geven.

 

 

Bep Blaaser heeft haar plek gevonden en zo ongeveer een jaar later, rond 1910, debuteert ze ‘echt’, bij het gezelschap van Benjamin (Ben) Delmonte, in De Voddenraper van Parijs - het begin van een periode bij ambulante gezelschappen en gezelschapjes. De omslag komt in 1918, als zij in het huwelijk treedt met Jan Nooy. Zij ontwikkelt zich als hét gezicht van diens gezelschap. Jacques Klöters omschrijft haar als “een uitstekende actrice”, die “goed met dramatische rollen overweg kon. Zij droeg het gezelschap.”                                             

Overigens speelt ze sporadisch ook wel elders, zoals bij Herman Bouber in Oranje Hein en  De Jantjes, bij Esther de Boer-Van Rijk in Op Hoop van Zegen, bij het Schouwtoneel in Dr. Knock, bij Henri Brondgeest in Dolle Hans van Jan Fabricius en bij Henri de Vries in Het zevende gebod.

 

      Jan Dirk Blaaser  

                           De Jantjes 1920

De mening van Klöters staat niet alleen, zo blijkt uit de onderscheidingen die haar ten deel zijn gevallen. Zo wordt zij in 1976 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau en krijgt zij in 1970 de Albert van Dalsumprijs van het Amsterdams Fonds voor de Kunst voor haar rol van Na Druppel in De Jantjes. De jury van het Fonds vindt dat zij haar kunst altijd in dienst heeft gesteld van de gehele groep. “Ze heeft een zuiver natuurlijke, warme en levensechte, weliswaar beperkte maar dan ook door en door Nederlandse speelstijl bewaard. Haar rol van Na Druppel is daar een voorbeeld van.” Verder krijgt zij het gouden ereteken van verdienste van de gemeente Amsterdam, wegens uitzonderlijke verdienste voor de stad. Haar dochter, die haar veel regisseert, noemt haar eind jaren zestig “een echt toneelmens. Ze weet enorm te ontroeren.” En: “Ze speelde alles als het zuiverste goud.”

Overigens is Na Druppel niet haar eerste kennismaking met De Jantjes. In 1920 speelt ze al de rol van Door, bij het ensemble Sluyters en Bouber en in 1948-1949 staat ze bij het Gezelschap Goossens op de planken als Moeder Betje.

Over de prijs voor die rol zegt ze zelf: “Ik had die prijs nooit gekregen als dit menselijke theater niet erkend was. Eigenlijk is deze Albert van Dalsumprijs meteen een extra onderscheiding voor ’t Amsterdams Volkstoneel.” Overigens is Op Hoop van Zegen ook niet nieuw voor haar: veertig jaar eerder speelt zij, naast Esther de Boer-Van Rijk als Kniertje, al de rol van Marietje, het jonge vissersmeisje. “De opvoering van nu is wel verschillend”, zegt Bep Nooy in 1962. “We hebben er meer tempo in. Onze opvoering duurt zelfs drie kwartier korter dan vroeger, terwijl we dezelfde tekst hebben.” Zelf geeft ze aan Heijermans en Bouber als lievelingsschrijvers te zien. “Een van mijn mooiste ervaringen was toen Esther de Boer-Van Rijk, die Kniertje speelde, mij uitkoos voor de rol van Marietje. We speelden het stuk zelfs in Parijs.”

 

In de kranten wordt de uitvoering van ’61 “vaak opmerkelijk pakkend” genoemd. “Bep Nooy speelt Kniertje en zij heeft van deze ‘klassieke’ rol werkelijk een mooie, gevoelige creatie gemaakt.” Naast haar krijgt Rudi Falkenhagen alle lof voor zijn rol als Geert. Hulde ook voor Beppie Nooy: “zij “heeft met haar troep een eenheid bereikt waarmee zij de stijl van het volkstoneel uitstekend kan overbrengen.”

Bep Nooy speelt overigens in meer stukken van Heijermans, zoals in Allerzielen, Glück auf! en Het zevende gebod. Henri de Vries regisseert dit stuk, hij is een uitstekend acteur ook, die de rol van Geert in Op Hoop van Zegen in 1900 voor het eerst vorm geeft. 

Op televisie is eind februari 1962 een registratie vanuit de Kleine Komedie van Heijermans’ stuk te zien: de intense gevoelens van verdriet en verlies in de rol van Kniertje moeten bij Bep Nooy extra hevig zijn geweest: een week eerder is haar man overleden.

 

 

 

“Het is geweldig dat moeder deze rol toch speelt”, zegt dochter Beppie voor de voorstelling, “maar zij is nu eenmaal een ras-artieste en wij  wisten dat vader het zo wou. Hij had er zich ook zo over verheugd deze rol van mijn moeder in het ziekenhuis te zien; we hadden hem er een televisietoestel voor gegeven.”

Over het overlijden van haar man vertelt moeder Bep: “Als ik speel voel ik de pijn niet zo, maar het is als ik erover nadenk vreselijk wat er gebeurd is. De vorige week kwam ik ’s nachts om vier uur terug uit Den Helder, waar ik in De Jantjes Na Druppel gespeeld had. Er kwam een telefoontje uit het ziekenhuis, maar ik kwam te laat: mijn man was al gestorven. ’s Avonds moest ik weer Na Druppel spelen in De Jantjes en vrolijk over het toneel dansen. Het viel niet mee. Ik had toen liever Kniertje gespeeld, maar dat kon niet: het publiek kwam immers om zich te amuseren.”

Tilly van Vliet-Bep Nooy-Beppie Nooy-André van Dijk-Ditty Doornbos-Willy Zuidema-Frits Engels

Op 4 oktober 1963 wordt er in het Centraal Theater een dubbel feestje gevierd rond een voorstelling van Herman Boubers Oranje Hein: haar zeventigste verjaardag en het feit dat ze vijftig jaar aan het toneel was. “Zelden zal een toneelhuldiging eerlijker, oprechter en hartelijker zijn geweest dan de hulde, die vrijdagavond werd geboden aan deze grote actrice van het volkstoneel, geliefd, ook bij haar collega’s, en die in het gezelschap ‘oma’ wordt genoemd “, schrijft de pers. “De ster van de avond was Bep Nooy sr. Ze speelde de rol van Tante Aal, die zoveel heeft te stellen met haar drankzuchtige koloniaal, Oranje Hein. Krachtig zette ze de kordate Jordaanse vrouw op de planken, alle mogelijkheden van deze kordate figuur uitbuitend. Geen kans op een lach liet ze ontglippen.” Behalve applaus en bloemen kreeg Bep Nooy allerlei cadeaus aangeboden, zoals “een lekkere stoel” van haar dochter en een koelkast namens het gezelschap.

Op haar zevenenzeventigste breekt Bep Nooy haar heup terwijl ze de spelersbus in wil stappen. Ze struikelt over een poppenwagen waar kinderen mee aan het spelen zijn. Het ongeluk krijgt de actrice niet klein, want ze zal nog een keer in Op Hoop van Zegen spelen.

 

Op haar zevenenzeventigste breekt Bep Nooy haar heup terwijl ze de spelersbus in wil stappen. Ze struikelt over een poppenwagen waar kinderen mee aan het spelen zijn. Het ongeluk krijgt de actrice niet klein, want ze zal nog een keer in Op Hoop van Zegen spelen.

Haar afscheidsrol, in 1972, is heel toepasselijk die van Kniertje. Na Esther de Boer-Van Rijk, die de rol van vissersweduwe als eerste op de planken zette, is Bep Nooy voor generaties theatergangers dé enige echte. Het is tevens haar zestigjarig jubileumvoorstelling in de Stadsschouwburg, zoals steeds door dochter Beppie geregisseerd, die trouwens binnen een dag is uitverkocht.

 

Bep Nooy met Wethouder Han Lammers

Een volgend eerbetoon komt op 22 januari 1973, als haar borstbeeld, van de hand van Pieter de Monchy, wordt onthuld in de hal van Carré. In april 1976 wordt ze koninklijk onderscheiden tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Het allerlaatste eresaluut zal haar begrafenis worden: ze overlijdt op 16 augustus 1976. Vier dagen later ligt ze opgebaard in Carré in een ‘chapelle ardente’, waar het publiek massaal afscheid van haar neemt; ze wordt vervolgens ter aarde besteld op Zorgvlied. De dood van de actrice grijpt veel mensen aan, zoals ook Johnny Jordaan, die naast haar in De Jantjes heeft geschitterd: “Ik ben er helemaal kapot van. Die vrouw heeft zoveel voor mij betekend. Het was een lieve vrouw die begreep wat er in het leven omging. Nederland heeft de grootste ster op het gebied van het volkstoneel verloren.”

 

 

                                                                  Bep Nooy met borstbeeld vervaardigd door Pieter de Monchy in Carré

 

Beppie Nooy

gepassioneerde diva

 

 

 

 

 

Het is nog helemaal niet zo vanzelfsprekend dat Beppie Nooy het roer zal overnemen van haar vaders gezelschap. De op 26 januari 1919 geboren actrice en regisseuse begint haar loopbaan quasi vanzelfsprekend bij het Gezelschap Jan Nooy, doch ze wil niet aan het toneel. “Ze zat op de Handelsschool”, vertelt haar moeder, “Maar opeens had ze het te pakken.” Zoals dat vaker gaat in de wereld van het ambulante volkstoneel, valt er een gat in de bezetting van een stuk. Dan kijkt men om zich heen en wordt, bijvoorbeeld, familie ingezet. Zo staat ze al vroeg toneelervaring op te doen als een van de zeven dwergen in Sneeuwwitje. Beppie is dan een jaar of zeven.

Over haar jeugd vertelt ze eens: “Alleen in de vakanties ging ik mee op tournee met m’n ouders. Voor de rest ging ik keurig netjes naar school. Daar wisten ze natuurlijk dat ik de dochter van Jan en Beppie Nooy was. Daar werd heel anders op gereageerd dan ze nu zouden doen. Kijk, toneelspelers staan vandaag de dag midden in de gemeenschap. Maar in dié tijd was het meer van: ‘Hee mensen, haal je wasgoed binnen, daar komen de komedianten!’ Artiesten, daar werd toen een beetje argwanend tegenaan gekeken. Vandaar dat ik ook nooit op kinderfeestjes werd gevraagd. Of het moest zijn bij mensen die ons interessant vonden en met ons wilden pronken. Dat zijn nou de kinderen van Jan en Beppie Nooy werd er dan over mij en m’n halfzusje gesmiespeld. En dan kregen we het eerste van allemaal limonade en koekjes…”

Maar van het een komt het ander en zo speelt ze in Kamertjeszonden (1935/ ’36), Tijs Wijs de torenwachter (’39-’40), Terug van het front (’43-’44), De twee weezen (’46-’47) en Twee straatjongens van Parijs (’46-’47) in haar vaders groep. Actrice is ze dus inmiddels en zoals dat gangbaar is kijkt ook zij verder dan alleen haar eigen familie. Zo staat ze bij het Gezelschap Herman Bouber in Tante Dora (’46-’47), 4 is anders (’49-’50) en Buster ’t schoffie (’50-’51). Bij het Gezelschap Berry Kievits en Gerard Walden speelt ze in ’49-’50 in De tante van Charley en in datzelfde seizoen bij Het Vrolijk Toneel in Het kan niet gekker.

Een opmerkelijke overstap maakt Beppie Nooy begin jaren ’50. Ze schuift dan meer de kant van het cabaret op. Eerst in Hartendwaas bij het Gezelschap Toon Hermans (’51-’52), dan bij het Gezelschap Wim Sonneveld in Het meisje met de grote voeten (’52-’53) en vervolgens weer twee producties bij Toon Hermans: Ballot in ’53-’54 en Zaza in ’54-’55.

Toon Hermans is een lichtend voorbeeld voor haar. Ze zegt later over de kleinkunstenaar: “Van hem heb ik als artieste het meest geleerd. Toon is bezeten van zijn vak en die bezetenheid brengt hij op elke medewerker over.” Haar ervaringen daar brengen een lichtheid van genre met zich mee, die later op het repertoire van het Amsterdams Volkstoneel ook wel weer terug te vinden zal zijn. Die invloed duikt niet alleen op in het reguliere volkstoneelrepertoire, maar ook in de musicals die Beppie Nooy brengt. Zoals in Gypsy (’76-’77), naar een verhaal van Arthur Laurents (die ook West Side Story geschreven had), met muziek van Jule Styne (o.a. Funny Girl) en liedteksten van Stephen Sondheim. Of in Irma la Douce (’63-’64), met muziek van Marguérite Monnot en tekst van Alexandre Breffort (uit 1956). Die lichtheid is ook te merken in Spelletjes met vuur (een bewerking van My wife’s family van Hal Stephens en Harry B. Linton, 1931, met liedteksten van Pieter Goemans en Sieg Noach).

 

 

Willy Zuidema, die twintig jaar bij het Amsterdams Volkstoneel werkt, legt in de jaren zeventig uit: “Wim Sonneveld kon een liedje zingen waardoor, hoe zal ik ’t zeggen, een vrouw zich vrouw voelde. Nou, zoiets had Beppie nou ook: ze legde een grote tederheid in d’r regie. Ze wist met d’r kleine handjes onder je bloes te grijpen en je hart te pakken hè. Er is absoluut geen ander die dit kan. Dat kon alleen Beppie Nooy.”

 

In het laatste seizoen bij Hermans keert ze, vanwege de ziekte van haar vader, die in 1953 een attaque had gekregen, terug naar diens gezelschap in Het huis zonder vensters. Haar moeder heeft in de tussentijd, naast het spelen van hoofdrollen, de leiding van het gezelschap voorlopig overgenomen. Dat is nogal een prestatie, ook al omdat ze zelf aangeeft er geen aanleg voor te hebben. Ger Hinrichs: “Ik zie haar nóg naar het postkantoor aan de Waalstraat lopen om een postwissel te innen voor de betaling van haar mensen.” Lex Faassen, die ook meespeelt in bijvoorbeeld Er komt een vriend vanavond, neemt de artistieke kant waar. In die periode werkt de groep overigens gewoon door onder de naam Gezelschap Jan Nooy.

 

                                                                                             Tineke van Leer-Toon Hermans-Beppie Nooy

Omdat Toon Hermans begint met zijn eerste One Man Show en dus geen medespelers meer nodig heeft, kan Beppie Nooy zich vanaf 1955 geheel aan het gezelschap van haar ouders wijden en verandert zij de naam Gezelschap Jan Nooy in Het Amsterdams Toneel. De eerste productie die onder haar leiding tot stand komt  is De Voddenraper van Parijs van Felix Pyat ( regie Alex Faassen Sr). Het is een hele ap voor haar, ook al omdat ze geen enkele ervaring heeft in het leiden van een gezelschap. Nadat zij het  manuscript van Rooie Sien heeft opgespoord en omdat ze artistiek en zakelijk meer heil ziet in het volkstoneelrepertoire, verandert Beppie Nooy na deze eerste productie definitief de naam van het gezelschap in Het Amsterdams Volkstoneel. Vanaf dat moment zal zij van alle producties die zij uitbrengt ook de regie voeren. Die nieuwe naam is ook wel een weerspiegeling van de nieuwe wind die Beppie Nooy in haar vaders gezelschap wil laten waaien. Zoals de meesten van zijn  collega’s is ook Jan Nooy door de jaren heen al wel met zijn tijd meegegaan, door bijvoorbeeld aan bestaande producties liedjes toe te voegen met modernere instrumentaties. Wat dat betreft is Beppie’s leiding niet veel anders dan die van haar vader.

Op de vraag aan wie ze het meest te danken heeft, zegt ze: “Aan mijn vader, de acteur Jan Nooy. Niet zozeer als artieste, want ik heb maar kort bij hem gewerkt, en enkel kinderrolletjes. Maar hij was acteur en zakenman en ik heb altijd een enorm respect gehad voor zijn manier van werken, voor zijn manier van zakendoen. Mijn zakelijke inslag heb ik van hem. In dat opzicht heb ik veel van hem geleerd.”

 

   Beppie Nooy-Berend van den Amstel

De zoons van Beppie herinneren zich nog goed hoe het toeging in de jaren voordat er uitgebreide tournees konden worden geboekt. Dick Nooy: “Was er in Alkmaar ruimte in het theater, dan werd er gebeld: kan het op donderdag nog voor Rooie Sien? En dat was dan uitverkocht. Dat ging gewoon van mond tot mond.” Ger Hinrichs voegt toe: “Na een succesvolle avond ging mama voor het doek staan en dan kondigde ze aan dat er de volgende vrijdag weer een voorstelling zou zijn. Die was dan ook weer uitverkocht.” Dick: “In Middelburg ging het ook zo, nog een stapje heftiger: daar volgde nog een voorstelling dezelfde avond. Dus eentje om acht uur en eentje om twaalf uur. Ger had toen de leiding over de technische ploeg: “Het was erg zwaar voor de jongens, nóg een keer dezelfde dag.” En: “Zo’n verlenging werd ook wel op het radionieuws verkondigd, maar dat werd toen maar een paar keer per dag uitgezonden.”

Het is in de jaren vijftig erg een tijd van de eindjes aan elkaar knopen. Marty Hinrichs: “Mijn moeder zocht mensen die voor een krats werken wilden. Dat ging zo bij alle ambulante gezelschappen. Dit was halverwege de vijftiger jaren, voor de oorlog was dat nog veel sterker het geval. De mensen waren al lang blij met hun baantje. Mensen bleven jaren hangen, speelden uiteenlopende rollen, zodat ze konden blijven. En dan moesten ze ook nog hun eigen kostuums meebrengen: een smoking was verplicht. Mijn moeder deed bovenal aan typecasting.” Dick Nooy: “De acteurs die werden geëngageerd waren geen topacteurs, hadden geen opleiding. In tegenstelling tot het gesubsidieerde toneel, daar kwamen ze van de toneelschool. Johan te Slaa bijvoorbeeld speelde een fantastische reder in Op Hoop van Zegen bij het Volkstoneel en Rudi Falkenhagen een prachtige Geert. Maar bij de Nederlandse Comedie brachten ze het niet verder dan veldwachter in hetzelfde stuk.” En dat terwijl ze, vertelt Dick Nooy, “door het grootste gezelschap van Nederland waren weggekaapt op grond van de prestaties bij ons.” De rol van reder Bos is voor Johan te Slaa overigens het beginpunt van zijn professionele carrière.

Maandcontracten zijn er niet, vertelt Marty, “de mensen werden per voorstelling betaald; daardoor waren er vaak veranderingen in de cast, de mensen schoven door als ze elders werk konden vinden. Ze moesten daarom wel zorgen met iedereen bevriend te blijven. Vanaf ’68-’69 veranderde dat, toen kwamen er contracten, speelden we met een vaste cast. Tot het ophouden in 1992 waren er contracten per productie. Geprobeerd werd dat minimaal zes maanden te laten zijn, dat was de minimumeis om ww te krijgen.”

                    

 

 

Avenir Light is een rustig en stijlvol lettertype dat de voorkeur heeft van vele ontwerpers. Het is een goed lettertype voor titels, paragrafen en meer.

In die eerste jaren met Beppie aan het roer zet zij het beleid voort dat ook Jan Nooy heeft gevoerd: dat gaat op basis van zogenoemde ‘uitkopen’: voorstellingen die geheel en al betaald worden door de opdrachtgever. Zo worden in het seizoen ’55-’56 Er komt een vriend vanavond, Tien kleine negertjes, Het witte legioen en Huis vol herrie gespeeld in kampen van arbeiders en militairen. Het jaar erop is De Voddenraper van Parijs terug als eigen productie, inclusief eigen risico, want er is gespaard tijdens de uitkopen.

 Er wordt ook nog voor militairen gespeeld, De wereld van morgen (van James Gow en d’Arnaud) bijvoorbeeld in maart ‘55. In de pers wordt enthousiast gereageerd: “Er werd door de Amsterdammers voortreffelijk gespeeld. (…) Het enthousiasme, de uitbeeldingskracht en – om het enig juiste woord te zeggen – de liefde welke er in het spel werd gelegd, mochte beslist voorbeeldig heten.”

 

 

Ondanks uitverkochte zalen begint er toch iets te wringen bij Beppie Nooy. Want de theaters mogen dan vol zitten, de kritieken over het algemeen positief zijn, er komen haar ook opmerkingen ter ore als: “Het is wel leuk, maar je merkt toch wel dat het uit een voorbije tijd is. Echt boeien kan het niet meer.” Zelf zegt ze een tijd later: “We hebben maanden aan De voddenraper van Parijs gewerkt. Het stuk had ’n redelijk succes, maar toch ook weer niet zo dat je kon zeggen: daar hebben de mensen op zitten wachten.”

Dat raakt de ziel van de kunstenares, die juist wél toneel ziet als een spiegel van wat de mensen bezighoudt. Een logische keuze wordt daarom Rooie Sien, overigens een stuk dat ten tijde van de première bij het Amsterdams Volkstoneel in 1958 ook al weer zowat veertig jaar oud is. Maar met genoeg leven erin, genoeg tijdloosheid ook om het recht overeind te laten staan.

Zelf zegt Beppie over Rooie Sien: “Het is een keihard kreng van een stuk. Moorden, hoeren, de hele troep door mekaar. Dat moet sidderen.” En: “Ik ben zoveel van die vrouw gaan houden en ik heb haar zo goed leren begrijpen, dat ik op ’t laatst Sien was geworden. Elke avond als ik haar had gespeeld, voelde ik me alsof ik zojuist een bad had genomen.”

Zoals Fietje Spree (de tweede vrouw van de schrijver Marius Spree) in 1918 het al had gedaan, zo pikt Beppie Nooy het stuk ook op: als een dubbelrol. Ze speelt dan zowel de oude als de jonge Sien. De twee – Beppie Nooy en Rooie Sien – worden min of meer synoniem, na 19 jaar en 1353 voorstellingen. Mede en vooral door die dubbelrol krijgt ze de eretitel ‘De vorstin van het volkstoneel’.

Kwaliteit staat bovenaan. Tekenend is wat ze eind 1961 tegenover journalist Marinus Schroevers zegt over de kracht van De Jantjes én Rooie Sien: “Wat best is is niet gauw oud.”

In een artikel in het Rotterdamsch Nieuwsblad, de dag na de première van Rooie Sien, heeft W. Wagener  een beschouwing over de Nooyen: “Een rassig komediantengeslacht, dat wel nooit aan Shakespeare toekwam, maar die doet het ook niet zo best in de ongesubsidieerde toneelspreiding. In de nieuwe Rooie Sien-presentatie zijn de taferelen met eenvoudige middelen karakteristiek, wat de bars betreft, zelfs met smaak aangekleed.”

Ab Hofstee-Beppie Nooy

In een andere krant: “Beppie Nooy kan wel spelen. Ze had het brede gebaar, de hartstocht, de ongegeneerdheid, waar dit soort toneel, waar alleen het woord ‘moeder’ een typische geladenheid heeft, om schreeuwt. Zij was breeduit de slecht vrouw aan het begin, het opgroeiende kind in het midden, de tot inkeer gekomen en bij de blinde opa teruggekeerde ontgoochelde aan het slot.” En Beppie Nooy “speelde Rooie Sien met alle hartstocht en charge, die deze rol en dit stuk nodig hebben.”

In het seizoen ’59-’60  komt De Jantjes op het repertoire, en wordt – met Rooie Sien en Op Hoop van Zegen – een van de drie ankerpunten van het Amsterdams Volkstoneel. Onder regie van Beppie Nooy wordt De Jantjes, met een toch al roemrijk verleden, opnieuw een klassieker, niet in de laatste plaats door de rol van haar moeder als Na Druppel. Voor het reputatie van het gezelschap is de registratie van De Jantjes op televisie, aan het eind van de tournee, in 1960 onder regie van Berend Boudewijn, een keerpunt. Dat is live vanuit de Kleine Komedie, mensen blijven er thuis voor, het is stil in de stad. Als het gezelschap na afloop een feestje wil gaan vieren in café Schiller op het Rembrandtplein gaan de ramen in de Halve Maansteeg open en roepen de mensen ‘Bravo! Bravo!’, vertelt Beppie Nooy achteraf ontroerd. “Toen konden we geen kwaad meer doen.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een ronduit legendarische De Jantjes zal in 1970 volgen, met namen als ramses Shaffy, Johnny Jordaan, Carry Tefsen en Yoka Berretty.

Avenir Light is een rustig en stijlvol lettertype dat de voorkeur heeft van vele ontwerpers. Het is een goed lettertype voor titels, paragrafen en meer.

Avenir Light is een rustig en stijlvol lettertype dat de voorkeur heeft van vele ontwerpers. Het is een goed lettertype voor titels, paragrafen en meer.

Daarmee heeft ze luid en duidelijk bereikt wat haar voor ogen stond. Beppie Nooy beschouwt het als haar taak om mensen die nooit naar een schouwburg gaan over hun drempelvrees heen te helpen, schrijft Marcella van der Weg in Het Parool. Amusement bieden met een tikje sociaal engagement. “Ik wil de mensen een beetje gelukkig en ook een beetje verdrietig maken om alles wat er in hun leven en om hen heen gaande is. En dan worden ze hopelijk toch voldoende sociaal bewogen, zodat ze er thuis over na gaan denken”, zo zegt ze zelf.

Dat dat lukt, blijkt wel uit een herinnering van acteur Dick Scheffer: “We speelden eens voor bejaarden in Amsterdam-Osdorp een marktscène, waarbij de Volendamse muzikanten opkwamen. Ze speelden In de Jordaan en daar begonnen die oudjes op de eerste rij me toch te walsen! De tranen stroomden me over de wangen. Als je het nou hebt over functioneel toneel, dan is dit het wel. Volle zalen, dat heeft Beppie bereikt. Haar kracht was haar authenticiteit. De mensen voelden dat het echt was.”

 “Negenentwintig jaar ben ik aan het toneel”, vertelt Dick Scheffer in hetzelfde interview. “Mooie rollen gespeeld hoor. Totdat ik bij het Amsterdams Volkstoneel kwam, een paar jaar geleden. Je krijgt een respons op je werk, hartverwarmend. Die reacties geven me een enorme kick.”

 

 

 

Carry Tefsen - Dick Scheffer

Beppie’s bevlogenheid gaat hand in hand met haar passie en perfectionisme in het theater. “Zodra ik voor mijn werk het theater binnenloop, vergeet ik verder alles om me heen. Mijn schoenen schop ik uit, mijn tas gooi ik zomaar ergens neer en ook mijn bril is onmiddellijk zoek. Ik heb dan nog alleen maar oog voor wat we op het toneel aan het doen zijn en wat daar nog aan mankeert”, beschrijft ze in een vraaggesprek haar eigen instelling. En er wil in haar ogen nogal eens iets mankeren. “Bij repetities ben ik nooit tevreden en ik vind ’t bijna nooit goed. Wat zullen ze de pé in me hebben, denk ik wel eens.”                  

Albert Mol, die in 1970 de ziek geworden Johnny Jordaan vervangt in De Jantjes: “Inspraak was bij Beppie niet mogelijk. Je kon je smoel houen. Intellectueel geouwehoer, daar moest ze niks van hebben. Toneelspelen doe je met je hart, zei ze altijd. Of met een ander lichaamsdeel en nou mag u twee maal raaien wat ik bedoel.”

In dat kader herinnert Dick Nooy zich de reactie van Dick Rienstra als hij in later jaren aantreedt bij Nooy’s Volkstheater: “Hij was de lijfelijke regie van mijn moeder gewend. Dus toen ik iets zei in de trant van het ‘aftasten van een rol’, riep hij: ‘wat krijgen we nou, is het volkstoneel psychologisch geworden?’.”

Albert Mol - Bep Nooy

Maar daar staat tegenover dat Beppie Nooy tegelijkertijd zeer op haar collega’s gesteld is. Haar schoondochter Carry Tefsen: “Weet je, ze had liever aardige mensen om zich heen dan mensen met buitengewoon veel naam. Ze kon soms halverwege op een repetitie uitroepen: ‘O, wat zijn we toch een heerlijke groep met elkaar. Jullie zijn gewoon hartstikke fijne mensen.”

Een opmerkelijk tussensprongetje maakt Beppie Nooy in 1964. Bij wijze van belegging opent zij op Brouwersgracht 101 een restaurant, Harap Berkat genaamd, wat vrij vertaald kan worden als Op Hoop van Zegen. Dat loopt goed, totdat het pand ineens moet worden gestut in verband met eventueel instortingsgevaar. Klanten en personeel blijven weg en het is einde oefening. Het volgend seizoen, 1965-’66, wordt Rooie Sien hernomen.                                                                                         

 

 

Een vetpot was het al niet bij haar ouders thuis (regelmatig moest het meubilair van haar ouders naar en van het theater gesleept worden als rekwisieten), en dat is het ook ten tijde van het Amsterdams Volkstoneel niet echt. Subsidie is er alleen voor het ‘grote toneel’, dat wordt pas anders als Beppie Nooy in 1969 dreigt het gezelschap op te heffen. Pas dan komt er in 1970 eindelijk wat subsidie van het toenmalige ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Dat is ook wel nodig, want eind 1965 zegt ze al dat een groot bezet stuk als De Jantjes niet meer te betalen is. “Met Rooie Sien had ik toch veel succes. We hebben nu bijna duizend voorstellingen gehad, maar zelfs als we voor volle zalen van vijf- à zeshonderd mensen speelden, moesten we er geld op toe leggen. Alles is zo duur geworden. En ik durf het werkelijk niet meer aan weer zo’n groot bezet stuk te brengen. Als het een flop wordt kost het me zestigduizend gulden. Natuurlijk, ik zou dolgraag weer een groot bezet stuk willen brengen, daarom heb ik nu ook subsidie aangevraagd.” Tot die er is, gaat het allemaal wat kleiner, vertelt ze: Blanke ballast van Leo Gordon gaat in september ’66 op de planken komen. “Het is een stuk met acht mannen en een vrouw. Dat is nog te betalen, maar een spel met dertig mensen zoals De Jantjes dat wordt heel moeilijk.”

Suikerzakje Harap Berkat

Een subsidieaanvraag is er ook in 1968 weer voor Spelletjes met vuur van Stephens en Linton uit de twintiger jaren.

Het stuk gaat spelen in de Plantage, voor de oorlog een illustere uitgaansbuurt. Het vroegere Rika Hopper-theater, al lang in gebruik als de bioscoop Desmet, wordt weer theater. Johnny Kraaykamp speelt er een hoofdrol in als Dokter Niks, al komt het ook tot een rechtszaak tussen Beppie Nooy en hem omdat hij een aantal voorstellingen in de verlengde speelduur van het stuk niet kan spelen vanwege verplichtingen elders. Een proces dat Kraaykamp wint. Wel kan hij in de weekeinden de opvallende overstap meemaken van het stuk: in Carré is de De man van La Mancha van Opera Forum geflopt en Spelletjes met vuur kan de leemte daar vullen.

“Gewild of ongewild een voorstelling die een reconstructie lijkt van wat zich in de jaren twintig in kleine theatertjes heeft afgespeeld”, schrijft de pers, “Spelletjes met vuur heeft alles in zich om een topper te worden.” en “Een uitnemende greep voor een avond van vrolijkheid.” Ten slotte: “Het enthousiasme van de zaal bewees ook gisteravond weer, dat zij zich niet voor niets inzetten.” Onder de acteurs krijgt vooral – op de premièreavond nog grieperige – Johnny Kraaykamp bijval, maar wordt ook het optreden van Bep Nooy “hartverwarmend” genoemd.

 

 

 

Behalve aanhoudend getob met de financiën begint het eerst geestelijk en daarna fysiek minder te gaan met Beppie Nooy. Zij moet in 1976 haar rol in Gypsy om geestelijke gezondheidsredenen overdragen aan Mady Misset, die er een kleine rol in heeft  en eerder bij Ted de Braak werkte en radiowerk deed. Tijdens de try-outs van Gypsy, dat omgedoopt was tot Een vrouw als Beppie omdat het haar afscheidsvoorstelling als actrice zou zijn, is er van alles misgegaan, publiek loopt de zaal uit en eist zijn geld terug. Ook het feit dat haar moeder die augustus is overleden eist zijn tol: “Ik zag haar telkens voor me en als ik in Carré kwam om te repeteren, was er ook dat beeldje van haar.” Toch krabbelt Beppie Nooy weer op, al was het maar omdat de mensen om haar heen haar zo steunen. Albert Mol bijvoorbeeld schrijft haar een lange brief: “Een paar jaar geleden heb jij me uit mijn isolatie gehaald toen je me voor De Jantjes nodig had en ik stil wilde leven. Nu moet jij er uit. Kop op meid.”

Dat lukt de vedette, want in 1978 is ze weer terug in haar element met Als je lacht dan ben je rijk, een bewerking van de Bouber-stukken Bleeke Bet en Oranje Hein. In feite zijn het de hoogtepunten uit de twee stukken aan elkaar geplakt, met dus opnieuw liedjes van Louis Davids en Margie Morris. Herman Boubers kleinzoon Bob is er overigens niet over te spreken: het was wat hem betreft eens maar nooit weer dat twee stukken van zijn grootvader op deze manier worden bewerkt.

Maar het is wel weer helemaal Jordaan. Met een cast vol volkstoneelvedetten als schoondochter Carry Tefsen, Martin Brozius, Wim Wama, Hetty Blok, Dick Rienstra, Mimi Kok, Sies Foletta en Willy Brands, en de net bij toneelgroep Globe ontslagen Dick Scheffer… De eerste regels van het titellied zijn veelbetekenend in de omstandigheden:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wel is al sinds de jaren 60 van het Volkstoneel een stichting gemaakt, wat noodzakelijk is voor het krijgen van subsidies. Die leidt een wat sluimerend bestaan zolang Beppie volop aan het roer staat, maar in de tijd van haar burn-out tijdens Gypsy komen de eerste tekenen vanuit het stichtingsbestuur, die ook verstrekkende gevolgen zouden hebben in de nabije toekomst. Voor het moment ziet het bestuur zich genoodzaakt na te denken over een situatie waarin Beppie zal zijn weggevallen. Rond die tijd wordt Martine Verhoog, die volgens Dick Nooy regelmatig een bedenkelijke rol speelt, zakelijk leider.

In januari 1979 viert Beppie het vijfentwintigjarig jubileum van het Amsterdams Volkstoneel en wordt Rooie Sien met een première in Carré weer gespeeld, nu in een bewerking van haarzelf en haar zoon Dick. Carry Tefsen speelt de titelrol.

Aan een kwaje bui heb ik een broertje dood,

Als je drenst en zeurt ben je ’n idioot,

Want de paar minuten die je leven kan

Maak daar geen vervelend drama van.

Toen begreep Carry dat er nu maatregelen getroffen moesten worden. Op haar eigen advies nam Carry contact op met een dokter die haar onderzocht. Hij gaf haar een verwijsbrief voor het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis. Beppie schrok er van. Zij had misschien wel gedacht dat zij erg ziek was, maar nu werd zij er mee geconfronteerd dat zij inderdaad behandeld moest worden en de situatie kritiek kon zijn. Men wilde haar meteen diezelfde vrijdag laten opnemen. Het bleek dat zij een gezwel had. Dat moet zij misschien al maanden of misschien nog langer hebben gehad. De artsen vinden het verbijsterend dat zij daarmee heeft kunnen doorwerken.”

“We hadden helemaal niet door dat het zó ernstig met haar gesteld was”, vertelt zoon Marty Hinrichs, “dat hield ze voor zichzelf. Tot ze in ’79 plots in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis belandde. Toen wisten we dat het goed mis was.” Ze is dan al wel druk bezig met het opstarten van Potasch en Perlemoer. Op 30 juli van dat jaar overlijdt Beppie Nooy. Haar onderscheiding tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau maakt ze wel nog mee, de Johan Kaartprijs ontvangt ze in oktober van hetzelfde jaar postuum. Beppie Nooy krijgt de begrafenis van een groot actrice, net als haar moeder ligt ze opgebaard in Carré en wordt ze, begeleid door een enorme  menigte, begraven op Zorgvlied.

 

       Carry Tefsen als Rooie Sien

Potasch en Perlemoer, met Hans Boskamp en Lex Goudsmit, gaat door. Maar het stichtingsbestuur besluit de leiding van het Amsterdams Volkstoneel niet in de familie te houden.

Beppie Nooy is twee keer getrouwd, de eerste keer met de piloot Ger Hinrichs, bij wie ze haar zoons Ger en Marty krijgt. Haar tweede huwelijk is met acteur Bert Silvester. Hun zoon is Dick.

 

De Nooy-zonen

de volgende generatie

 

 

 

 

M

    Marty Hinrichs - Dick Nooy - Ger Hinrichs

Uit de twee huwelijken van Beppie Nooy komen drie zoons voort: Ger, Marty en Dick. De eerste twee (respectievelijk geboren op 7 november 1940 en 1 februari 1942)  als kinderen van piloot Ger Hinrichs, de laatste (18 februari 1948)  van acteur Bert Silvester.

Zoals het gaat in echte theaterfamilies, zijn de jongens al van kindsbeen af op de een of andere manier betrokken bij het wel en wee van het toneelgezelschap.

Al gauw laten Ger en Marty de school voor wat die is: “We wilden naar het theater, dat zit je toch in het bloed. Dus kwamen we met de bus of trein naar de voorstelling.” Marty: “Ik was dertien of veertien jaar oud toen ik liftend naar Rotterdam ging, naar het theater. Moeder had daar niets op tegen. Ze deed er ook wel haar voordeel mee. Als zoons speelden we ook toneel, figuratie, een klein rolletje. We waren natuurlijk ook goedkoop als kinderen van de directeur.”

 

Voor Ger is het thuis niet je dát. “Mijn moeder was een egocentrisch mens, ’t ging altijd over haar en over het vak. Ze was wel meer moeder als ze bij iemand werkte, maar zodra ze zelf directrice was, was er geen tijd meer voor privé. Ze was zó behept met het vak.”

Als hij een jaar of acht à negen is, haalt zijn moeder – druk met haar werk – een inwonende Duitse huishoudster, tante Leni, in huis die alles bestiert. “Dickie was zeven jaar jonger dan ik. In het begin vond ik het nog wel leuk, zo’n klein broertje, maar die huishoudster was  stapelgek op Dickie. Ze maakte ook van die beeldige pakjes voor hem en zo. Dat stoorde me. Ik had regelmatig ruzie met haar en ben toen bij mijn grootmoeder gaan wonen.”

Als Ger tien jaar is, gaan zijn ouders uit elkaar. Voogdij volgt voor alle drie de jongens, anderhalf jaar in een weeshuis in de Volkerakstraat. Ger gaat vervolgens wonen bij zijn oma. Met zijn stiefvader Bert Silvester kan hij niet goed overweg. Dit huwelijk komt in 1960 ten einde.

Ger rolt de techniek in bij het Amsterdams Volkstoneel. “Toen ik 17 of 18 was, heb ik een jaar lang de techniek gedaan bij een Franse revue, mee op tournee dwars door Europa.. Daarna kwam ik in dienst bij moeder, waar Marty toen ook was. Hij vertrok in 1963 naar de Hoofdstad Operette. De verhalen waarmee hij thuis kwam, waren zo fantastisch, dat ik hem een jaar later gevolgd ben.” “Het werken daar was een openbaring. Zo professioneel in tegenstelling tot het Amsterdams Volkstoneel in die dagen, contracten van acht maanden, séjours en salaris op tijd betaald, veel decors…”

                

                  Marty Hinrichs                                                                                          Ger Hinrichs

In ’67 werkt Ger nog een tijdje in de Moulin Rouge, de stripteasetent van Kees Manders, waar hij ook weer de techniek verzorgt. “Veel champagne zien langskomen en zo, maar het werk stelde niet veel voor.  Muziekband aan, iets meer licht voor een goedgevormde dame, minder voor een voluptueuzere…” Ger ontmoet er een Marokkaanse danseres en trekt met haar een tijdje rond. In ’69 vraagt Beppie Nooy haar zoons voor De Jantjes. Daar ontmoet Ger zijn latere vrouw Carry Tefsen.  Vanaf 1980 is  hij  betrokken bij Nooy’s Volkstheater en vervolgens het Nederlands Volkstoneel. In de jaren negentig doet Ger nog een paar keer de techniek bij de Jeugdkomedie Amsterdam van Riny Blaaser, een halfzuster van zijn moeder, en haar zoon Herry Hubert. “Van half december tot half april was dat dan, zo’n 130 voorstellingen, voor scholen ook.”

Met zijn vrouw Carry Tefsen heeft hij twee zoons, Kim en Leyn.

                                                                                                                                                                                                                   Kees Manders

Marty gaat op z’n dertiende of veertiende van school om verkoper te worden bij V & D. “Dat kon toen nog, op die leeftijd”, vertelt hij. “Lang heeft dat niet geduurd, na een jaar of zo ging ik werken voor een etalagepoppenbedrijf: koppen schilderen, pruiken maken, dat soort werk. En tegelijkertijd ’s avonds zo goed en zo kwaad als dat ging naar voorstellingen toe natuurlijk.  Soms speelde ik wel kleine rolletjes of hielp ik mee met de techniek.”

Als enige van de broers heeft Marty echt de ambitie om acteur te worden. “Ik kon ontzettend snel leren. Terwijl ik in de techniek bezig was, kreeg ik de repetities natuurlijk mee. In een week zat zo’n stuk er dan in. Dus kon ik invallen, ik heb zowat alle kleine rollen wel gespeeld als er iemand ziek was of ergens anders een schnabbel had. Op die manier heb ik bijvoorbeeld in de jaren zestig Gerrit in Rooie Sien overgenomen.”  

Hij heeft, behalve Ko Breman, zowat alle mannenrollen in Rooie Sien gespeeld, vertelt Marty. “Maar ook De Schele in De Jantjes, tijdens de tournee na de televisie-uitzending bijvoorbeeld. En de rol van Maxim Hamel in Irma la Douce, toen die rond de kerst een paar dagen niet kon.”

Dat doet de hoop rijzen dat hij een plek zal krijgen in de cast van Op Hoop van Zegen, als dat in 1962 weer zal gaan. “De mooiste rol is natuurlijk die van Barendje, maar die kreeg ik niet. Moeder wilde me liever reserve houden, voor als er iets gebeurde, dat was handig voor haar natuurlijk.”  Daarmee worden de acteerambities van Marty opgeborgen. 

                        Cultureel Centrum Amstelveen

Hij kiest voor een ander pad en wordt inspiciënt bij de Hoofdstad Operette. In 1964 ontmoet Marty zijn latere vrouw Hanny Vree bij de operette, waar zij danseres is. Na zeven jaar verkast hij naar het Amstelveens Cultureel Centrum, dat dan net geopend is, om er de eerste chef toneelmeester te worden.

Al die tijd is het volkstoneel niet ver weg, de banden blijven bestaan. Hij ontwerpt vrijwel alle decors voor zijn moeder, zowel op toneel als voor televisie.

 

Na het overlijden van Beppie Nooy in 1979 veranderen de zaken. Het Amsterdams Volkstoneel ontglipt de broers, maar de drie broers gaan hun eigen Nooy’s Volkstheater leiden, en later het Nederlands Volkstoneel. Vanzelfsprekend ontwerpt hij er ook de decors. Hij is, om het verhaal rond te maken, ten slotte de grote motor achter de herstart van het Nederlands Volkstoneel met Omdat Ik Zoveel Van Je Hou.

Met zijn vrouw Hanny Vree heeft hij een dochter, Danny, die ook in het theatervak is beland.                                       De Blauwe Engel (1959)

Dick Nooy wordt voor zijn middelbare schooltijd in een internaat geplaatst, het lyceum in Hoogezand-Sappemeer. “Een dure kostschool. Het kostte een jaarsalaris van een arbeider. Dat kon moeder betalen door Rooie Sien. Ook zo’n teken van hoe succesvol dat was.” Zijn moeder wil eigenlijk dat hij daarna rechten gaat studeren, “maar ik zag er niets in, zo’n droge studie. Wat ik wilde was kleuterleider worden, ik was dol op kinderen. Maar op die opleiding werden toen nog geen jongens toegelaten.”

Eenmaal terug thuis blijft Dick bij het gezelschap rondhangen. Na een paar weken volgt er – zo ongeveer traditiegetrouw – een figurantenrolletje. “Toen werd de acteur die Mooie Frans speelde in Rooie Sien ziek en ben ik ingesprongen, stond ik op mijn achttiende ineens als pooier van mijn moeder op ‘t toneel.”

Van het een komt het ander. “Even een liedje korter maken, even een brief tikken, de boekhouding doen… binnen een jaar was ik er helemaal in verweven. Ik kon niet meer terug, maar ik wilde ook niet meer terug. Het jaar erop haalde mijn moeder Blanke Ballast terug. Ze vroeg mij voor een bewerking en ik hielp ook bij de casting.”

Dick Nooy komt er achter dat de artistieke kant van het vak, het schrijven en regisseren, hem het meest liggen: “Dan ben je eigenlijk God.” Maar bij alles wat hij doet blijft hij steeds op de achtergrond, in de schaduw van zijn moeder. “Tegelijkertijd was ik natuurlijk zo ongeveer een praktijkopleiding aan het volgen.”

I

In januari van 1979, het jaar waarin Beppie Nooy zal overlijden, roept ze hem apart.                            Beppie Nooy-Bep Nooy-Dick Nooy(10 jaar) 

“Ze vroeg me of ik de artistieke leiding wilde overnemen van het Amsterdams Volkstoneel. Voor de volgende voorstelling, Potasch en Perlemoer, wilde zij alleen de regie nog doen. Ze moet toen al hebben geweten dat ze ziek was. Jammer genoeg heeft ze verder over haar vraag aan mij verder met niemand gesproken.”

Als rechterhand van zijn moeder zit Dick Nooy dan al vaak bij bestuursvergaderingen. “Zij zat er als eindverantwoordelijke bij, gewend als ze was dat haar wil wet was – óók bij het bestuur. Maar het was aan mij om plannen, om begrotingen te verdedigen. Dat vond het bestuur niet leuk, ik was niet erg geliefd, er waren fricties.”

Bij Nooy’s Volkstheater krijgt Dick de ruimte. Hij schrijft, regisseert. “Ik kon er volledig mijn ei kwijt.” Tot het, rond de voorstelling Boefje, het eind van Nooy’s Volkstheater en het begin van het Nederlands Volkstoneel, uitloopt op een artistiek verschil van mening tussen Dick en zijn broers, waarna Dick zijn biezen pakt.

Hij doet een poging een eigen gezelschap op te richten, de Nieuwe Nooy Groep. “Ik wilde De kleine  Johannes van Van Eeden bewerken en een revueachtig spektakel brengen dat was gebaseerd op de wildgroei aan therapieën in die tijd. Het zou Frits, Marie en de therapie gaan heten.” Er is contact met Jaap van de Merwe, met wie hij had samengewerkt voor De Jordaan. De besprekingen vlotten, tot er onmin komt over geld en de samenwerking wordt afgebroken. Hoewel er wel een positief advies van de Raad voor de Kunst ligt voor met name De kleine Johannes, is dat nog geen garantie voor subsidie, die dan ook uitblijft. “Ik heb nog een tijdje vanuit mijn tuinhuisje geprobeerd de zaak vlot te trekken, maar dat ging niet. Mijn zoon Richard was net geboren en ik vroeg me af wat ik aan het doen was. Dus heb ik de stekker er uit getrokken.”

Dick Nooy wordt psychisch afgekeurd (“Ik had onder meer enorme plankenkoorts.”) en belandt in de WAO. “Ik schrijf nog wel eens iets, liedjes voor amateurgezelschappen of ik regisseer ze,

maar professioneel heb ik daarna niets meer gedaan.” 

                   Dick Nooy

Na beëindiging van de bijna tien jaar durende relatie met Loretta Schrijver leert hij zijn huidige vrouw Ellen kennen, werkzaam in de GGZ. Met haar krijgt hij een zoon, Richard. “Een begaafd amateurpianist, maar hij studeert nu economie en politieke wetenschappen in Londen. Hij wil naar Brussel, de Europese politiek lokt.”

 Dick Nooy overleed op 12 april 2019 op 71 jarige leeftijd.                                                                                       Loretta Schrijver                                                                                                                                                   

 

 

De Nooy-vrouwen

En dan zijn er de vrouwen. De Nooy-vrouwen zijn altijd heel belangrijk geweest bij het gezelschap. Bep Nooy in de grote rollen, Beppie Nooy eveneens in de hoofdrollen én als onbetwist  leidster van het Amsterdams Volkstoneel. En vervolgens de schoondochters: Carry Tefsen en Hanny Vree, tot en met het optreden in de jubileumproductie Omdat Ik Zoveel Van Je Hou van Danny Nooy, dochter van Marty Hinrichs en Hanny Vree.

 

Marty ontmoet Hanny al in 1964, bij de Hoofdstadoperette. Ook zij komt uit een artiestenfamilie. “Mijn vader Henk was musicus, zijn ouders waren acrobaten, die in hun jonge jaren de hele wereld hebben afgereisd. Mijn vaders broer John had een variétéact waarmee hij in het Lido stond, maar ook in de Verenigde Staten heeft rondgereisd. Mijn moeder Alie had een mooie zangstem, maar koos voor haar gezin.”

Zelf volgt ze een klassieke balletopleiding, “dat trok me al vroeg aan, vanaf dat ik een jaar of vijf, zes was.” Die passie is gebleven, maar eenmaal op het toneel ziet ze meer mogelijkheden.

Ze belandt bij de Hoofdstad Operette, waar ze als danseres wordt geëngageerd. “Dat was geen heel groot ensemble, dus er waren ook andere dingen te doen, kleine rolletjes te spelen. Dat vond ik zo leuk dat ik niet meer zo gefocust was op dans.” Hanny Vree neemt zanglessen, het acteren heeft ze al doende geleerd.

 

     Hanny Vree

Op mijn 21e realiseerde ik me dat ik mijn doel had bereikt en dat er zoveel andere mogelijkheden waren. Ik was er, eerlijk gezegd, een beetje verbaasd over. Rond die tijd kwamen er pas echt nieuwe ambities.”

Om wat van de wereld te zien belandt ze, met een aanbeveling, bij het Stadttheater in Baden bei Wien. “Een voorstadtheater is dat. Maar ik was te eigenzinnig voor de hiërarchische structuur die daar heerste. Mijn werk deed ik wel goed, maar dát was lastig.” Na een seizoen keert ze terug naar Nederland, waar genoeg werk is. “Ik kende Marty toen ook al, we hadden een relatie, dus dat jaar in Oostenrijk was al moeilijk genoeg geweest ook om die reden.

Uiteindelijk komt ze terecht in Rooie Sien, bij het Amsterdams Volkstoneel. “Ik deed ensemblewerk, soms een danssolo. En van ’t één is ’t ander gekomen.” Een herinnering, met een glimlach: “Ik was een jaar of twaalf, dertien toen er bij ons in de buurt affiches hingen van Rooie Sien, met Beppie in een uitdagende houding. Seksualiteit en sensualiteit, dat lag in die jaren heel anders. Ik heb er later, toen ik zelf eenmaal in dat ‘fel realistisch zedendrama’ speelde veel aan moeten denken.”

 

Beppie Nooy is strenger tegenover haar eigen mensen, haar familie dan tegenover anderen, merkt Hanny Vree. “Ik moest tweehonderd procent presteren, ze hield mij nog strenger aan de hand. Dat is een goed uitgangspunt gebleken.”

Wat zij zich vooral ook herinnert is het feilloze gevoel voor casting dat haar schoonmoeder had. “Ze zette de mensen op de goede plaats. Daarbij komt dat ze zélf echt alles kon spelen, van een oude man tot een jong meisje. Je dorst dan zelf bijna niet meer.” Zelf belandt Hanny Vree rond 1970 in De Jantjes, in de rol van Blonde Greet, die eerder door Yoka Berretty was gespeeld.

“Carry en ik nemen allebei tijdens repetities een erfenisje van Beppie mee. Ik zie en voel de haar regie, die zit me onder de huid. Bij een nieuwe regie doe ik daar mijn voordeel mee.”

                                                                                                                                                                  Hanny Vree als Blonde Greet

Romantische titel

Een ongeveer gelijktijdig gedraaide gedramatiseerde documentaire voor televisie waarin zij speelde krijgt enorm veel publiciteit, die haar tal van aanbiedingen oplevert. Behalve televisie staat ze in die tijd ook in musicals en danst ze bijvoorbeeld bij Helen le Clerq.

Thuis wordt er altijd over theater gesproken. “Logisch, het is nu eenmaal een heel bevlogen theaterfamilie. Met als grote passie het instandhouden van het volkstoneel. Er is een enorme drive. En, dat mag wel eens worden benadrukt omdat het nogal eens onderschat wordt: volkstoneel spelen is verschrikkelijk moeilijk en écht een vak.”

Doordat er regelmatig geen subsidiegeld is, liggen er  voor de familie wel meer taken dan alleen die waarvoor men is aangenomen. “Daardoor ging ik ook choreografie doen, en kostuums maken. Het mag dan uit budgettaire nood zijn geboren, ik heb veel geleerd en me kunnen ontwikkelen.”

 

Hanny Vree - Jeugdprostitutie

 

Voor zichzelf schrijft zij het soloprogramma Een beetje kind gebleven en sindsdien schrijft, vertaalt en bewerkt ze liedteksten. Ook voor de jubileumvoorstelling Omdat Ik Zoveel Van Je Hou heeft Hanny Vree het script geschreven – ook weer zo’n blijk van de ontwikkeling die ze heeft doorgemaakt. “Samen met Danny heb ik sinds 2008 een eigen show onder de naam Mokumse Mokkels en daarvoor bedenken we ook samen een script. Omdat Ik Zoveel Van Je Hou is nog weer een stap verder. Er zitten heel traditionele dingen in, die ik ook bewust in hun waarde heb gehouden. Andere dingen zijn wat opgelift, uiteraard met alle respect. Traditie en vernieuwing hand in hand.”

                                                                                                                                                                De Mokumse Mokkels

Carry Tefsen (6 augustus 1938) komt haar toekomstige man, Ger, bij het Amsterdams Volkstoneel tegen. Ze is, als kind van een leraar aan de ambachtsschool, zelf eerst naar de kweekschool gegaan en kleuterjuf geworden. Ze heet dan nog Carla. Het theater trekt al vroeg en ondanks het advies van haar vader om niet in de richting van het entertainment te gaan, krijgt ze een plekje als danseres in de Moulin Rouge, aan het Thorbeckeplein in Amsterdam. Daarna toert ze met de KRO-revue door het land, met Gerard Walden en Berry Kievits. Inmiddels noemt ze zich Carry.

 

Klassieke titel

    Carry Tefsen

“Ik was op een gegeven moment zo’n tien jaar bezig en had naar mijn gevoel in 1968 het mooiste al gedaan, de rol van Dulcinea in De Man van La Mancha (tegenover de Don Quichot van Guus Hermus). Toen vroeg de directeur van Carré, Karel Wunnink, of ik niet eens met Beppie Nooy wilde gaan praten. 

Ik was  een beetje verbaasd, want ik wist niets van die hoek van het theatervak.”  Beppie weet haar te overtuigen en Carry gaat naar de repetities van De Jantjes. “Dat was zo heel anders dan ik gewend was, een beetje rommelig. En er liep een groep mensen rond die niet in andere musicals zaten. Meer types die je in de Jordaan op straat kon tegenkomen. Wat dan ook meteen de kracht was: het was zo herkenbaar.”

Beppie doet alles precies voor tijdens de repetities, echt met het vingertje, herinnert ze zich. “Ze dreunde ’t erin. Waardoor sommige rollen wel een beetje kopieën van haar eigen spel werden. Maar het kwam ook zo vanuit haar tenen! En ze had zo’n vreselijk plezier als ’t goed ging. Dan lag ze met haar schoenen uit op het toneel en riep ze ‘Ik hoor ’t! Ik hoor ‘t!’. Ze was een heel bevlogen vrouw en dat bracht ze over op anderen.”

Zelf toont Carry Tefsen wel eens te veel initiatief en dat kan dan strijd opleveren. Tegenover anderen, met een grote naam zoals Hetty Blok, houdt Beppie zich meer in, weet ze.

De Man van La Mancha

Guus Hermus-Carry Tefsen-

Lex Goudsmit

Avenir Light is een rustig en stijlvol lettertype dat de voorkeur heeft van vele ontwerpers. Het is een goed lettertype voor titels, paragrafen en meer.

In het seizoen ’78-’79 staat Carry Tefsen in Rooie Sien. “Aanvankelijk zou ik alleen de jonge Sien spelen. Beppie zou zelf de oude Sien nog doen. Maar ze was al een beetje ziek toen, was bang dat ze het niet zou halen. Uiteindelijk heb ik allebei de Sienen gedaan, maar ik heb nooit het gevoel gehad dat het mijn rol was, het was gewoon Beppie.” De verfilming van Rooie Sien krijgt van Carry geen hoge cijfers. “Die heeft niets te maken met hoe ík denk dat het moet: warm, bewogen, geil. Tja, ik denk dan via Beppie.” Het werken binnen zo’n familie laat een heel speciale andere kant van het vak zien: “Er wordt echt met hart en ziel gespeeld. De stukken zijn er ook naar. Zoals De Jantjes, een stuk waar alle acteurs tevreden waren met hun rol. Duidelijk de verdienste van Bouber. En van de liedjes natuurlijk, die wérken. In Als je lacht dan ben je rijk had je dat ook.” Zelf staat zij tot vier keer toe in De Jantjes, twee keer bij Nooy, twee keer bij Joop van den Ende. Bij Nooy speelde ze twee keer de rol van Jans, bij Van den Ende Na Druppel en Tante Piet. Carry’s Na Druppel kan zich ontwikkelen: “Beppie was er al niet meer natuurlijk en met Peter Faber als De Mop kwam er een nieuwe dimensie bij. Hij wilde wat met jongleren doen en deed opeens danspasjes. En dan deed ik ook danspasjes, zo groeit zo’n rol, met die vrijheid.”

 

In 1987 verschijnt er een biografie van Carry Tefsen, van de hand van Lou Polak. “Zo’n lijst van dingen die ik toen al gedaan had”, lacht ze tussen repetities voor Omdat Ik Zoveel Van Je Hou door. “En moet je me zien, ben ik nóg aan ’t rondhupsen.”

Maar op de vraag of ze aan de productie Omdat Ik Zoveel Van Je Hou wil meewerken, kán ze geen nee zeggen. “Ik voelde de bui al hangen toen Marty langs kwam ‘om te praten’. We lopen binnen de familie de deur niet bij elkaar plat, dus ik had zo’n vermoeden… Maar ik zag ’t wel zitten. Alleen al omdat het zoveel betekent voor Marty en Hanny. Maar haar script is ook heel goed. En dan doen mensen als Henk Poort en Bob Fosko mee, die ik uit andere producties ken. Robbert Besselaar past ook heel goed. Daarmee krijgt het body en dat moet natuurlijk wel.”

Première Rooie Sien 1978

Hans Boskamp - Carry Tefsen - Beppie Nooy (regie) -

Martin Brozius

 

 

 

De lijst van producties waarin ze gestaan heeft, van mensen met wie ze gewerkt heeft, is overigens inderdaad indrukwekkend. Zo werkt ze onder veel meer met Johnny Kraaykamp, Nelly Frijda, Wim Kan en Corry Vonk, Lex Goudsmit, Guus Hermus, Bob de Lange, André van Duin, John Lanting. In de bioscoop is ze te zien in Blue movie,  Wat zien ik, Alicia en Keetje Tippel; op televisie in onder meer De graaf van Monte Christo, Ieder z’n deel, Het kind van de buurvrouw, de Willem Ruis Show, Farce Majeure en natuurlijk in Zeg ‘ns Aaa,  waarin ze de roemruchte rol van Mien Dobbelsteen speelt. In een remake van de legendarisch televisieserie ’t Schaep met de Vijf Pooten (en twee vervolgseries) zet ze Opoe Withof neer.

Ger Hinrichs en Carry Tefsen hebben twee zoons: Kim en Leyn. Ze herinnert zich de geboorte van Kim: “Beppie was bij de geboorte van Kim, die heeft ze gewoon geregisseerd. En met de geboorte van Kim veranderde ze compleet.

                                                                         

 

 

                                                                                                                                                                                                             Mien Dobbelsteen

We woonden allebei in de Biesboschstraat en zodra Kim kon lopen, hobbelde hij naar oma. Zij ging dan gewoon op de straattegels zitten om met hem te spelen.”

                                       Leyn Hinrichs                                                                                                                                  Kim Hinrichs

En oom Marty heeft het anno 2010 voor elkaar: hoewel de jongste zoon Leyn al elders aan de slag is, coördineerde hij ook de techniek in Omdat Ik Zoveel Van Je Hou. Zijn oudere broer Kim is video-editor en monteerde de projecties.

 

Hun nichtje Danny (10 december 1974) is volledig in de Nooy-voetsporen getreden, nu zij een van de zes mensen is op de planken in Omdat Ik Zoveel Van Je Hou. “Ik was vier jaar oud toen Beppie in 1979 overleed. Dus ik heb haar lijfelijk nauwelijks meegemaakt. Wat ik ken, zijn de registraties, die zijn er goddank. Welke familie kan dat zeggen?” Rond diezelfde leeftijd, als kleuter, maakt Danny haar televisiedebuut. “Mijn moeder deed televisie en ik ging wel mee naar repetities. Naar Kwistig met muziek bijvoorbeeld. Neemt een van de twee Blue Diamonds me daar in beeld op z’n arm. Ik in een roze jurk met veel kant en tule, beeldig!” Door haar ouders is ze niet het theatervak in gepusht. “Ze hebben me de vrije keus gelaten, maar toen ik een jaar of negen, tien was, had ik me al wel in de kop gezet: ik wil het toneel op. Dat was heel serieus, niet alleen maar een meisjesdroom.”                                             

                                                                                                                Danny Nooy - Riem de Wolff in Kwistig met Muziek

Na de middelbare school wordt het logischerwijs de Academie voor Kleinkunst: “all round, kon ik veel leren, dacht ik.” Maar het jaar dat ze er doorbrengt wordt iets van een desillusie. “Het was competitief, er was strijd, ik lag ook buiten de groep. Wat meewoog, was dat ik uit een theaterfamilie kom. Ik kende die mensen, wist hoe er gedacht werd over interpretaties bijvoorbeeld.”

Dus laat ze de academie achter zich en gaat zich op eigen wijze ontplooien. Ze volgt lessen bij Theaterschool de Trap, neemt dans- en zanglessen. En passant werkt ze achter de schermen bij producties, zoals bij Purper, waar ze productie- en regieassistente is. “De podiumambitie was er zeker nog, maar ik voelde me echt niet te goed voor andere dingen. En ik leerde veel, zoals het krijgen van overzicht. Bovendien kreeg mijn creativiteit de ruimte zich te ontwikkelen.” Een regieopleiding volgt: “Was ook belangrijk: hoe kom je tot oplossingen?”

 

Haar eigen eerste ‘ding’ is rond 1995 het Musical  Café in het al  gauw  zo roemloos  ten onder gegane Showbizz City in Aalsmeer. “Met drie anderen deden we vier shows op een avond, musical highlights. Met Barry Stevens was dat. Maar een paar maanden gedaan, maar veel geleerd. Onder meer dat het in een musical staan erg leuk is, omdat je heel veel disciplines kunt combineren.”

Er volgen nog een dinershow die langs bungalowparken trekt, medewerking aan de musical Spelenderwijs van Joop Stokkermans en Ivo de Wijs bij Stichting Jeugdkomedie Amsterdam  (die onder leiding staat van tante Riny Blaaser en haar zoon Herry Hubert – de familiecirkel is weer eens rond) en televisieprogramma’s.

En dan de eerste optredens met haar moeder, Hanny Vree. “Het was eerst in besloten kring, als bedankje voor iets. Maar mensen waren er heel positief over, onze stemmen gaan mooi samen. Dus besloten we er iets mee te doen en zo werden de Mokumse Mokkels geboren. Écht Amsterdamse muziek, er zijn geen andere vrouwen die dat doen. En hier en daar cabaretesk, het theatrale bloed kruipt natuurlijk toch waar het gaan kan.”

Danny in Spelenderwijs

Omdat Ik Zoveel Van Je Hou is al jaren geleden als idee ontstaan bij haar vader, vertelt ze. En zo’n half jaar na de geboorte van haar zoontje, voorjaar 2009, beginnen bij Danny Nooy ook de kriebels.  “Een familiegevoel dook op, het gevoel dat er met de nalatenschap niets meer gebeurde. Ik had er een gesprek over met Marty, die altijd al de ambitie had om opnieuw iets te doen met dat prachtige materiaal. En zo is de bal gaan rollen.”      

 

                                                                                                                    Danny Nooy in 'Omdat Ik Zoveel Van Je Hou'                                                                                                                 

 

Fotocollage van toneelstukken door de Nooy-Blaaser familie

Familie Nooij - Blaaser en nazaten

1910 - 2020

110 jaar

Theater

Wie horen er nog meer bij de Nooij-Blaaser familie

schaap_edited